De misdaadroman en haar badpak stopt ze in haar

“De misdaadroman en haar badpak stopt ze in haar rugzak die ze over haar schouder hangt, en ze controleert nauwkeurig of de deur goed in het slot valt.

Als ze door de gang loopt ritselt het plastic onder haar voeten. De schilder is verdwenen, maar zijn trap vol verfvlekken staat er nog. Ze neemt de lift naar beneden.

In het businesscenter staat een rij voor de enige computer die op internet is aangesloten en ze kan over een uur een massage krijgen. Kennelijk zijn alle hotelgasten aan het werk, want er is niemand bij het zwembad en als Ellen een badlaken heeft gepakt kan ze kiezen waar ze wil gaan liggen. De zon is heerlijk warm en de zacht ruisende bladeren van de palmbomen geven schaduw. Ze trekt haar badpak aan, doet de sleutel van haar hotelkamer, haar horloge en halsketting in haar rugzak en duikt aan de diepe kant het zwembad in. Het water, dat maar een paar seconden koud aanvoelt, stroomt langs haar stijve lichaam terwijl ze onderwater blijft zwemmen tot ze over de bodem van het ondiepe gedeelte schraapt. Ze trekt nog een paar baantjes, klimt via het trappetje het zwembad uit, knijpt het water uit haar haar, haalt nog een badlaken en zet de ligstoel midden in de zon, wat ze nu juist beter niet zou kunnen doen. Ze weet dat ze vanavond al branderige schouders zal hebben, maar de warmte is zo lekker en een bevrijding voor haar lichaam na die ellendig koude winter. Het verhaal in het boek komt langzaam op gang en terwijl de pomp in het zwembad ronkt en de palmbomen boven de hibiscusstruiken ritselen, valt ze in slaap.

Ze wordt wakker van de kou. De zon heeft zich verplaatst en Ellen ligt met haar hoofd en schouders in de schaduw van de palmbomen. De jongen die de handdoeken uitdeelt is verdwenen en als ze haar jurk weer heeft aangetrokken en het chloor uit haar badpak heeft gespoeld, legt ze de natte handdoek over de rugleuning van de stoel en zet deze weer op zijn plek. Ze lacht een beetje om haar eigen precisie en moet denken aan die paar weken dat ze bij Blessing logeerde en door haar huishoudster werd bediend. Toen het meisje druk met iets anders bezig was, sloop Ellen voor de derde keer de keuken in om haar eigen thee te maken zodat ze niet om hulp hoefde te vragen. De huishoudster was met een ernstig gezicht naar haar toe gekomen en had gevraagd of er iets mis was met de thee die zij maakte en waarom mevrouw niet tevreden over haar werk was. Ik zou het met personeel niet uithouden, had Ellen toen gedacht, maar ze realiseert zich nu dat ze dat wel degelijk zou kunnen. Niets went zo snel als comfort.

Lang geleden, tijdens een diner in een tropische tuin, was de discussie over huishoudelijk personeel flink opgelaaid. Een Zweedse vrouw, die net met haar baan als milieuambtenaar op de ambassade in Lusaka was begonnen, verkondigde met enige trots dat ze er niet over peinsde personeel in dienst te nemen. Het zou ongemakkelijk voelen mensen in huis te hebben, zei ze, ze woonde alleen en had altijd haar eigen eten gekookt en haar huis zelf schoongemaakt. En de tuin zou het ook wel overleven als ze maar af en toe het gras maaide. Ellen, die ook een nieuwkomer in Afrika was, vond dat een zinnige redenering, tot David, de vriendelijk Zambiaanse econoom die in Lund had gestudeerd, zijn stem verhief. Hij was kwaad, kwader dan de Zweden hem ooit hadden gezien, zijn ogen schoten vuur toen hij de milieuambtenaar duidelijk maakte hoe weinig solidariteit uit haar opvatting sprak.

– Iedere keer dat ik voorbij een huis kom waarvan de tuin verwilderd is, komt er plaatsvervangende schaamte bij me op, zei hij. Nee, erger nog: ik word razend. Als je geld hebt voor een groot huis, en dat heb je, dan ben je verplicht mensen in dienst te nemen. Je eigen tuin verzorgen terwijl je een tuinman kunt betalen die daarmee zijn hele familie kan onderhouden, dat is niet alleen onnadenkend, dat is misdadig. Doe af en toe de afwas als je dat zo graag wilt, maar neem een huishoudster in dienst, laat haar zich trots kunnen voelen over het werk dat ze doet en betaal haar fatsoenlijk. Het kost je bijna niets en het is misschien, ook al klinkt dat in jullie oren vreselijk, het zinnigste dat je voor de bevolking van dit land kunt doen, al jullie ontwikkelingscenten ten spijt. David richtte zich tot alle Zweden die aan tafel zaten. Ze luisterden vol verbazing naar de uitbarsting van de anders zo zachtaardige Afrikaan, die zich verontschuldigde en vervolgens het huis inliep. Later nam hij terug wat hij had gezegd, vooral over het aanstellen van personeel, dat dat het zinnigste was wat ontwikkelingswerkers konden doen. Maar Ellen was ervan overtuigd dat hij ieder woord dat hij had gezegd oprecht had gemeend. Haar begrip voor Blessing, die ondanks haar geldzorgen toch altijd een huidhoudster in dienst had, was ook toegenomen.”